Schyns Advocaten Nieuwsbrief oktober

Te laat is te laat

Op 14 februari 2017 heeft een rechter te Arnhem bevestigd dat de vervaltermijnen, zoals deze sinds 2015 op het gebied van arbeidsrecht in de wet zijn opgenomen, strak gehanteerd worden. Wat was het geval?

Een werkgever had na van het UWV verkregen toestemming de arbeidsovereenkomst met een werknemer wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. Vervolgens liet de werkgever na om de transitievergoeding aan de werknemer te betalen, omdat de werkgever daartoe niet in staat zou zijn. De werknemer verzoekt de kantonrechter vervolgens om hem de transitievergoeding toe te kennen. Pas op dat moment dient de werkgever een verzoek in om in aanmerking te komen voor de zogeheten "Overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers". Wat houdt deze overbruggingsregeling in?

Indien een werkgever een ontslagvergunning wegens bedrijfseconomische redenen aanvraagt en gebruik kan worden gemaakt van de overbruggingsregeling, dan worden bij het berekenen van de hoogte van de transitievergoeding de dienstjaren van de werknemer van voor 1 mei 2013 niet meegeteld, hetgeen een (fors) neerwaarts effect op de hoogte van de transitievergoeding heeft. Uiteraard alleen indien het gaat om werknemers die al voor 1 mei 2013 in dienst waren. Gebleken is dat veel werkgevers niet bekend zijn met deze overbruggingsregeling. De vereisten om hier met recht een beroep op te kunnen doen zijn verkort weergegeven (1) dat er minder dan 25 werknemers in dienst zijn; (2) dat het netto resultaat over de drie boekjaren voor het boekjaar waarin de ontslagaanvraag is ingediend lager is dan 0 euro; (3) dat het eigen vermogen aan het einde van het boekjaar (voor het boekjaar van indiening van de ontslagaanvraag) negatief was en (4) de waarde van de vlottende activa lager was dan de schulden (met een resterende looptijd van maximaal 1 jaar) aan het einde van het boekjaar, voor het boekjaar waarin de ontslagaanvraag is ingediend.

Echter, het verzoek om voor die regeling in aanmerking te komen moet door een werkgever, uiterlijk drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen, worden ingediend. Doet een werkgever dit niet, dan wel te laat, dan komt het recht om daarop een beroep te doen te vervallen. Let wel, het gaat hier om een vervaltermijn, dus niet om een verjaringstermijn. Bij een verjaringstermijn kan men de verjaring stuiten. Bij een vervaltermijn is dit niet mogelijk en moet het verzoek daadwerkelijk binnen die termijn zijn ingediend.

U voelt het waarschijnlijk al aankomen, maar de werkgever heeft het verzoek na de termijn van drie maanden ingediend. Te laat dus en dit kon dus niet meer gerepareerd worden. De kantonrechter wees derhalve de volledige transitievergoeding toe aan de werknemer.

De werkgever had dit overigens kunnen voorkomen door, zoals ons kantoor dat doet, bij de ontslagvergunning tegelijk aanspraak te maken op de overbruggingsregeling.
Het UWV oordeelt bij de beslissing over de ontslagvergunning dan direct of aanspraak op de overbruggingsregeling kan worden gemaakt. Dat had deze ellende voor de werkgever kunnen voorkomen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Piet-Hein van der Vleuten.

Zaak rond auteursrechten selfie van aap past in trend

Het doel lijkt bizar: een makaak-aap eigenaar maken van foto's die hij zelf had genomen met de camera van een natuurfotograaf. Maar volgens Janneke Vink, deskundige op het gebied van dierenrecht, steekt er meer achter de rechtszaak over "selfie-aap" Naruto.

De jarenlange juridische strijd was aangespannen door de dierenrechtenorganisatie PETA. "Het lijkt erop dat die de rechter probeerde te verleiden deze makaak impliciet te erkennen als rechtspersoon", zegt de promovendus aan de Universiteit Leiden. Het zou een juridische aardverschuiving veroorzaken. Want een rechtspersoon mag je niet zonder oordeel van een rechter zomaar tegen zijn wil gevangen houden.

Het resultaat was minder baanbrekend: een schikking. Natuurfotograaf David Slater doneert een kwart van de toekomstige opbrengsten van de foto's aan liefdadigheidsprojecten voor de bedreigde apensoort in Indonesië. Aap Naruto vist achter het net voor de auteursrechten.

Weinig sympathie
Vink denkt dat het niet de meest strategische zaak was om dierenrechten mee af te dwingen. Een aap die al twintig jaar zit opgesloten, kan volgens haar op meer steun rekenen. Maar Naruto leeft vrij in de jungle van Indonesië. "Dit kan zo ongeveer op de minste sympathie rekenen van het publiek. Dierenrechtenorganisatie PETA is er zelfs nog goed vanaf gekomen: ze hebben wel die 25 procent binnengehaald."

PETA zegt dat de rechtszaak een discussie heeft aangezwengeld. "Naruto's zaak laat zien dat de strijd om dierenrechten diep geworteld is in ons rechtssysteem", staat op de website.

Chimpansees en olifanten
Volgens Vink is de zaak onderdeel van een bredere trend om dierenrechten af te dwingen via de rechter. Het Amerikaans/Britse rechtssysteem biedt namelijk voldoende handvatten voor deze juridische strijd. Vink verwijst naar het Nonhuman Rights Project in de VS. Dierenactivisten proberen via rechtszaken mensenrechten af te dwingen voor dieren in gevangenschap. "Dat loopt sinds 2013 voor een aantal chimpansees en binnenkort ook voor een olifant."

Chimpansee Tommy kreeg in 2014 geen "mensenrechten" van het Hooggerechtshof in New York. Het hoger beroep loopt nog. "Ik denk dat ze juridisch gezien een sterke zaak hebben", zegt de onderzoekster. "Het enige wat men aan moet tonen, is dat chimpansees ook rechtspersonen kunnen zijn."

En in Nederland?
In ons rechtssysteem zal zoiets niet snel gebeuren, denkt Vink. Rechters in de VS hebben volgens haar meer macht om zelf invulling te geven aan de wet. "Onze rechters zullen niet zo creatief zijn."

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Toine van Spanje.

Geen lagere WOZ-waarde door aardbevingsschade

Het risico op aardbevingsschade is geen reden om de WOZ-waarde van een woning te verlagen als die waarde gebaseerd is op verkochte woningen waarbij het risico bekend was, oordeelt de Rechtbank Noord-Nederland.

De eigenaar van een vrijstaande woning in het Groningse aardbevingsgebied vond dat zijn huis in aanmerking kwam voor een verlaging van de WOZ-waarde, de Waardering Onroerende Zaken waarop onder meer het eigenwoningforfait en de gemeentelijke onroerendezaakbelasting (OZB) is gebaseerd.

Het huis liep aardbevingsschade op ter waarde van 5843 euro, de schade is inmiddels hersteld. Door het risico op aardbevingsschade zou de WOZ-waarde 145.000 euro moeten bedragen in plaats van de door de gemeente vastgestelde 168.000 euro, meende de eigenaar.

De rechter vindt echter dat de gemeente het risico op schade door aardbevingen al heeft meegenomen in de WOZ-waarde, omdat de onderbouwing van de waarde bestaat uit woningen die zijn verkocht toen het aardbevingsrisico al bekend was. Of deze verkochte woningen ook aardbevingsschade hadden, doet er volgens de rechtbank niet toe.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Toine van Spanje.

Heeft het ontvangen van kindgebonden budget invloed op de hoogte van partneralimentatie?

Deze vraag werd door het gerechtshof Den Haag in een lopende procedure voorgelegd aan de Hoge Raad. Een dergelijke vraag, noemen we een prejudiciële vraag. In 2015 werd de Hoge Raad al gevraagd of het kindgebonden budget en de daarin begrepen alleenstaande ouderkop invloed had op de berekening van de hoogte van de behoefte van het kind. De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 9 oktober 2015 beslist dat dat niet het geval is, maar dat het kindgebonden budget, inclusief alleenstaande ouderkop, moet worden meegenomen in de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

Thans lag de vraag voor of het ontvangen kindgebonden budget door de alimentatiegerechtigde in mindering zou moeten strekken op diens behoefte aan partneralimentatie of dat dit buiten beschouwing zou moeten worden gelaten.
De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 7 juli 2017 deze vraag beantwoord. Het kindgebonden budget strekt niet in mindering op de behoefte van de alimentatiegerechtigde bij de bepaling van diens behoefte aan partneralimentatie. De Hoge Raad overweegt hierbij dat kindgebonden budget een inkomensafhankelijke inkomensondersteuning van de overheid is. Zou je dit als inkomen bij de alimentatiegerechtigde meenemen, dan zou dat inhouden dat de alimentatiegerechtigde minder partneralimentatie zou ontvangen, waardoor in feite de overheid een stuk van de behoefte van de alimentatiegerechtigde voor zijn rekening neemt in plaats van de alimentatieplichtige ex-echtgenoot.
De Hoge Raad is van mening dat het kindgebonden budget enkel voor de kosten van de kinderen bedoelt is en dat het te allen tijde ten goede moet komen aan de kinderen en om die reden volledig buiten de partneralimentatieberekening gehouden moet worden. Dit geldt ook indien het door de alimentatiegerechtigde ouder ontvangen kindgebonden budget het eigen aandeel van die ouder in de kosten van het kind overschrijdt.

De Hoge Raad heeft met deze uitspraak het ontvangen kindgebonden budget in de behandeling van de partneralimentatie gelijk getrokken met bijvoorbeeld de huurtoeslag en de zorgtoeslag: ook die toeslagen worden niet als inkomen meegenomen in de berekening van de behoefte aan partneralimentatie.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marcel Schyns.

Beroepstermijn verstrijkt nooit later dan drie kalendermaanden na uitspraak

De regel dat hoger beroep moet worden ingesteld binnen drie maanden "te rekenen van de dag van de uitspraak" houdt in dat de termijn drie maanden later eindigt op (het einde van) de dag met hetzelfde nummer als de dag van de uitspraak.

Alleen als de maand waarin de termijn afloopt, niet een dag met hetzelfde nummer kent omdat zij korter is, eindigt de termijn op (het einde van) de laatste dag van die maand.

Een creatieve cassatieklacht over een van de meest basale procesrechtelijke onderwerpen vond gehoor bij de A-G, maar niet bij de Hoge Raad.

De termijn voor hoger beroep of cassatieberoep in bodemprocedures is drie maanden (als we even geen rekening houden met eventuele verlenging op grond van de Algemene Termijnenwet). Dat lijkt gemakkelijk: in de praktijk berekent iedereen de uiterste datum waarop beroep moet worden ingesteld als: drie kalendermaanden later, op de dag van de maand met hetzelfde nummer als de dag van de uitspraak. Dus vonnis op 10 mei -> beroep instellen uiterlijk op 10 augustus.

Maar dat werkt niet altijd: als vonnis wordt gewezen op 31 maart, zal het niet lukken om op 31 juni beroep in te stellen. Is de laatste dag van de termijn dan 30 juni, of 1 juli? De tekst van de wet helpt hier niet: daarin staat dat beroep moet worden ingesteld "binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak" (zie art 358, 402, 426 en bijna hetzelfde in 339 Rv). Daar komen we nog niet veel verder mee: "Te rekenen van" zou kunnen worden begrepen als "op" of "na", en dat leidt tot verschillende uitkomsten. Nu heeft de Hoge Raad in 1919 (NJ 1920, p. 82) geoordeeld dat "te rekenen van" betekent: "na". Er begint dus een termijn van drie maanden te lopen op de dag ná het vonnis. In ons voorbeeld: op 1 april. Die termijn duurt drie volle maanden, en eindigt dus (als we "drie maanden" hier naar normaal spraakgebruik uitleggen) op 30 juni 2017 om 24:00 uur. Het beroep kan dus uiterlijk worden ingesteld op 30 juni, zoals ook kan worden afgeleid uit een arrest van de Hoge Raad uit 2004.

In deze zaak was de spiegelbeeldige situatie aan de orde, in die zin dat de uitspraak was gewezen op de laatste dag van een maand die korter was dan de maand "drie maanden later": de rechtbank had haar beschikking gegeven op 29 februari 2016, en hoger beroep was ingesteld op 31 mei 2016. Dat was volgens het hof te laat: hoger beroep had uiterlijk op 29 mei 2016 moeten worden ingesteld. In cassatie doet de appellant een beroep op de rekenmethode die ik hiervóór beschreef: de termijn begon de dag na de beschikking, dus op 1 maart 2016. De driemaandentermijn zou dan eindigen op 31 mei 2016 om 24:00 uur. Met die redenering zou het hoger beroep dus nog tijdig ingesteld zijn geweest.

Maar daar gaat de Hoge Raad, anders dan A-G Wesseling-van Gent, niet in mee:

"3.4.3 [...] Met de hiervoor in 3.4.1 vermelde regel dat het daar bedoelde rechtsmiddel moet worden aangewend binnen drie maanden na de dag waarop de uitspraak is gedaan, is slechts beoogd tot uitdrukking te brengen dat de dag van de uitspraak zelf niet meetelt, met als gevolg dat de driemaandentermijn pas afloopt aan het einde van de daarmee overeenstemmende dag drie maanden later (en niet al is verstreken aan het begin van die dag).

De laatste dag van de hier bedoelde termijn is dan ook niet later gelegen dan drie maanden na de dag van de uitspraak zelf. Indien de uitspraak is gedaan (in een gewoon jaar) op 28 februari (of in een schrikkeljaar op 29 februari), 30 april of 30 september, verstrijkt de termijn dus aan het einde van 28 of 29 mei, 30 juli, respectievelijk 30 december, een en ander afgezien van de werking van de Algemene termijnenwet. Aldus staan voor het aanwenden van het rechtsmiddel steeds drie volle kalendermaanden ter beschikking.

3.4.4 De hiervoor in 3.4.3 vermelde regel stemt overeen met hetgeen in de praktijk algemeen tot richtsnoer wordt genomen en is voor de praktijk ook beter hanteerbaar dan die welke het middel verdedigt. Bij vorenstaande regel eindigt de termijn immers in beginsel steeds drie maanden later op (het einde van) de dag met hetzelfde nummer als de dag van de uitspraak. De enige uitzondering hierop is het geval dat de maand waarin de termijn afloopt, niet een dag met hetzelfde nummer kent omdat zij korter is, in welk geval de termijn eindigt op (het einde van) de laatste dag van die maand (vgl. HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1315, NJ 2004/424)."

De keus van de wetgever om de beroepstermijn in bodemzaken in "maanden" te definiëren (en niet in weken), betekent wel dat aangezien de maanden van het jaar niet even lang zijn, ook appeltermijnen niet altijd even lang zijn: het eind van de beroepstermijn valt bij vonnissen van 30 maart op dezelfde dag als bij vonnissen van 31 maart. Hetzelfde geldt voor vonnissen gewezen op 28, 29 of 30 november: daartegen moet uiterlijk op 28 februari beroep worden ingesteld. Voor vonnissen die op 29 of 30 november voorafgaand aan een schrikkeljaar zijn gewezen, wordt het 29 februari. De lengte van een beroepstermijn kan dus, uitgedrukt in dagen, variëren. Los van verlenging door de Algemene Termijnenwet betekent ?drie maanden?: tussen de 89-92 dagen (of 90-92 in een schrikkeljaar), zo kan men eenvoudig narekenen. (Voor Excel-fans: bereken maar eens een termijn met de functie "ZELFDE.DAG()", die dezelfde dag van een maand een x aantal maanden later weergeeft. Die functie past precies de regel uit deze beschikking van de Hoge Raad toe.)

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marcel Schyns.